Hoe rechts Vlaanderen de arbeidsmarkt wil hervormen

18 februari 2011,

Hoe rechts Vlaanderen de arbeidsmarkt wil hervormen

 
Een veelgehoord argument voor een verregaande staatshervorming is dat Vlaanderen dan eindelijk de instrumenten in handen zal hebben om naar eigen inzichten de arbeidsmarkt te hervormen. Over wat die ‘eigen inzichten’ dan wel zijn, is men vaak veel minder expliciet. Poliargus gaat daarom na hoe rechts-nationalistisch Vlaanderen de arbeidsmarkt wil hervormen en reeds aan het hervormen is.
 
  • DeWereldMorgen.be -
     
  • Figuur 1. Aantal openstaande VDAB-vacatures en niet-werkende werkzoekende (NWWZ) tussen 2000 en 2010 voor de maand december (bron: VDAB - Arvastat)

    We onderscheiden twee rechtse dogma’s met betrekking tot de arbeidsmarkt. Het dogma van de vrije markt en het dogma van de budgettaire efficiëntie. Deze twee dogma’s leiden tot grote verschillen tussen links en rechts met betrekking tot een aantal arbeidsmarktaspecten.

    We gaan in dit stuk dieper in op drie aspecten: (1) de vraag of werkloosheid een individuele dan wel een collectieve verantwoordelijkheid is, (2) het bestraffen van werklozen, en (3) de vraag op welke doelgroepen het beleid zich moet toespitsen.

    We illustreren het rechtse perspectief steeds met voorbeelden van het huidige arbeidsmarktbeleid van Vlaams minister van Werk Philippe Muyters (N-VA) en beleidsvoorstellen uit het federale verkiezingsprogramma van de N-VA.

    Grosso modo beschikt de overheid over zeven directe instrumenten om de arbeidsmarkt vorm te geven: (1) opleiding en bijscholing, (2) begeleiding bij het zoeken naar een job, (3) subsidiëring van de werkgelegenheid in de privé- of publieke sector, (4) directe jobcreatie in de publieke sector, (5) het herverdelen van de bestaande arbeid, (6) loonmatiging en flexibilisering van de arbeidsverhoudingen, en (7) bestraffing van de werkzoekenden en/of de werkgevers. Naargelang van het perspectief op de arbeidsmarkt worden deze instrumenten anders ingezet.

    Dogma van de vrije markt

    Vanuit een liberaal perspectief redeneert men dat het spel van vraag en aanbod in een vrije markt er voor zorgt dat werkloosheid niet voorkomt of hoogstens van voorbijgaande aard is.

    Volgens dit perspectief is iemand werkloos omdat (1) hij niet wil werken of toch bepaalde jobs niet wil aanvaarden, (2) de arbeidsmarkt te veel gereguleerd is door de overheid, en/of (3) de vacatures van de werkgevers onvoldoende bij de werkzoekenden terecht komen. De passende arbeidsmarktinstrumenten zijn bijgevolg het bestraffen van de werkzoekende zelf (bv. de werkloosheidsuitkering beperken in de tijd en/of schorsen), de flexibilisering van de lonen en de arbeidsverhoudingen (bv. loonindexering afschaffen en opzegtermijn beperken), en het begeleiden van werkzoekenden naar werkgevers.

    Er zijn verschillende economische argumenten waarom deze visie tekort schiet. Ten eerste bestaat er een hardnekkige structurele werkloosheid. De (vrije) markt is dus niet perfect!

    Enkele eenvoudige cijfers van de VDAB  illustreren dat. In december 2010 waren er in Vlaanderen 199.834 niet-werkende werkzoekenden en 41.676 openstaande vacatures. Uit figuur 1 blijkt dat 2010 geen uitzonderlijk jaar met uitzonderlijke cijfers was. De afgelopen 10 jaar was het aantal niet-werkende werkzoekende steeds veel groter dat het aantal openstaande VDAB-vacatures.

    Een aantal neoliberale denkers zullen het bestaan van deze structurele werkloosheid ook niet ontkennen en dit verklaren vanuit een te rigide arbeidsmarkt (loonindexering, opzegtermijn …). Dit argument snijdt echter weinig hout aangezien er ook structurele werkloosheid bestaat in landen met een veel meer geflexibiliseerde arbeidsmarkt zoals de VS en Groot-Brittannië.

    De lagere lonen en slechtere arbeidsverhoudingen zullen daar wel voor meer vacatures zorgen, maar nooit in die mate dat ze de structurele werkloosheid volledig tot de geschiedenisboeken verbannen.

    Ten tweede worden er in deze liberale visie ook veel menselijke talenten verspeelt. De theorie van de comparatieve efficiëntie stelt dat iedereen zich moet specialiseren waarin hij relatief het beste is. Door het sanctioneren van werklozen, zullen personen financieel gedwongen worden om jobs onder hun niveau aan te nemen. Dat is niet alleen niet fijn voor de mensen in kwestie, maar ook economisch inefficiënt. Het is macro-economisch zeer irrationeel dat bijvoorbeeld hogeropgeleiden (type historici of communicatiewetenschappers) gedwongen worden om te gaan werken als kassier in de Aldi of als bordenwasser in de horeca.

    Last but not least zal bij het uitvoeren van een rechts arbeidsmarktbeleid de sociale ongelijkheid vergroten en is de kans hoog op ‘working poor’. Dat is niet alleen een menselijk drama, maar dat zal ook de koopkracht van de bevolking ondergraven en bijgevolg leiden tot een daling van de economische vraag. Lagere inkomens consumeren immers in verhouding met hun beschikbaar budget meer dan hogere inkomens (ze hebben dus een hogere consumptiequote).

    Dogma van de budgettaire efficiëntie

    Het tweede rechtse dogma is dat van de budgettaire efficiëntie. Het arbeidmarktbeleid is hierbij voornamelijk gericht op de budgettaire baten voor de gemeenschap (minder uitgaven door uitkeringen en meer inkomsten door belastingen) en minder op het helpen van mensen aan een duurzame, goede baan. Een emanciperend arbeidsmarkt beleid is natuurlijk niet goedkoop. Bijgevolg zal men argumenteren dat rechts tenminste voor een begrotingsevenwicht zorgt. Het ligt buiten het bestek van dit stuk om op dit argument dieper in te gaan, maar voor een uitgebreide kritiek zie hier.

    Deze twee dogma’s leiden tot sterke meningsverschillen tussen rechts en links met betrekking tot een aantal arbeidsmarktaspecten. We bespreken er hier drie.

    Werkloosheid: individuele of collectieve verantwoordelijkheid?

    Een eerste meningsverschil bestaat over de vraag of werkloosheid een individuele dan wel een collectieve verantwoordelijkheid is. Heeft een werkloze persoon met andere woorden geen werk omdat hij niet wil werken of omdat er geen passend werk voor hem voor handen is?

    Uit het voorgaande bleek reeds dat rechts werkloosheid voornamelijk als een individuele verantwoordelijkheid beschouwt. Iemand is werkloos omdat hij of zij niet wil werken of toch bepaalde jobs niet wil aanvaarden, of omdat iemand verkeerd geschoold of ongeschoold is.

    Er zijn opnieuw een aantal argumenten waarom deze interpretatie niet klopt. Ten eerste bleek reeds uit figuur 1 dat er een structurele werkloosheid bestaat. Er is gewoonweg te weinig werk. Daar kan het individu niet verantwoordelijk voor gesteld worden. De overheid moet bijgevolg direct of indirect bijkomend werk creëren en/of het bestaande werk herverdelen.

    Ten tweede blijkt uit figuur 1 dat er steeds vacatures zijn die niet ingevuld geraken. Het is onwaarschijnlijk dat alle werkzoekende werklozen werkonwillig zijn en al even onwaarschijnlijk dat al deze vacatures van zo’n laag niveau zijn dat niemand ze wil invullen. Het is daarentegen zeer aannemelijk dat er een mismatch bestaat tussen de opleiding en de competenties van de werkzoekenden en het profiel van de vacatures. Voor deze mismatch kan het individu ook weer niet verantwoordelijk gesteld worden.

    Werkloosheid moet dus veeleer als een collectieve dan een individuele verantwoordelijkheid beschouwd worden. Vanuit deze analyse moet je kiezen voor (een combinatie van) drie arbeidsmarktinstrumenten: (1) de directe of indirecte jobcreatie, (2) het herverdelen van de bestaande arbeid, en (3) het opleiden of herscholen van werkzoekenden.

    Ook het begeleiden van werklozen naar werkgevers wordt door links aangemoedigd. In tegenstelling tot liberalen ziet links dit echter als een investering in de competenties van werkzoekenden dan louter als het begeleiden van werkzoekenden naar werkgevers.

    Bestraffen: iedereen een verdachte werkonwillige of het voordeel van de twijfel?

    De twee rechtse dogma’s leiden ook tot een meningsverschil tussen rechts en links met betrekking tot het bestraffen van werklozen. We zagen reeds dat rechts vanuit haar geloof in de vrije markt en haar budgettaire doelstellingen pleit voor het beperken van de werkloosheidsuitkering in de tijd en zelfs het opschorten ervan wanneer een werkzoekende een passende job weigert. Ik ben het daar om meerdere redenen niet mee eens.

    Je mag uiteraard niet blind zijn voor het bestaan van sociale fraude. Iedereen is het er doorgaans over eens dat een werkzoekende zijn best moet doen om een job te vinden en dat manifeste werkonwilligen bestraft moeten worden (uiteraard uitgaande van de onjuiste assumptie dat er voldoende werk is voor alle werkzoekenden).

    Met andere woorden, de “profiteurs moeten worden aangepakt”. De hamvraag is echter: Wat is een passende job? En over deze vraag verschillen rechts en links weer van mening.

    Om het even scherp te stellen. Rechts ziet in iedere werkloze een verdachte werkonwillige, terwijl dat links de werkzoekenden veeleer het voordeel van de twijfel wil geven. Deze tegenstelling komt op het volgende neer. Rechts wil koste wat kost vermijden dat een werkonwillige ten onrechte een uitkering ontvangt. Vandaar dat ze opteert om het begrip ‘passend werk’ zeer ruim te definiëren. Dat dit eventueel ten koste gaat van een werkwillige werkzoekende die ten onrechte zijn uitkering verliest, beschouwt rechts als ‘collateral damage’.

    Vanuit haar sociale bewogenheid wil links daarentegen koste wat kost vermijden dat een werkwillige werkzoekende ten onrechte zijn uitkering verliest. Vandaar dat ze opteert om minder strikt te bestraffen.

    Links heeft met andere woorden liever een werkonwillige die ten onrechte een uitkering ontvangt, dan een werkwillige die ten onrechte zijn uitkering kwijtspeelt, omdat ‘passend werk’ te ruim gedefinieerd is. Links wil daarom veel meer rekening houden met de inhoud en de arbeidsvoorwaarden van een potentiële job en met de sociale omstandigheden van de werkzoekende.

    Zijn de arbeidsomstandigheden van de job kwaliteitsvol? Past de opleiding van de werkzoekende bij de job? Is er kinderopvang voor handen? Is de werkplaats vlot bereikbaar met het openbaar vervoer? Is de job combineerbaar met de gezinssituatie? Hoe is de fysieke en mentale gezondheid van de werkzoekende? enz …

    Voor links kan het niet dat iemand financieel gedwongen wordt om een slechte job te aanvaarden. Dat is niet enkel nefast voor de persoon in kwestie, maar ook voor de andere werkenden en werkzoekenden (aangezien dit leidt tot een neerwaartse spiraal van arbeidsomstandigheden) en voor de gemeenschap (aangezien dat comparatief inefficiënt is).

    We kunnen ten slotte nog twee bedenkingen maken bij het bestraffen van werklozen door de werkloosheidsuitkering te beperking in de tijd of te schorsen.

    Ten eerste kunnen we ons afvragen wat dit oplevert. Een werkzoekende zonder een werkloosheidsuitkering verkast naar de sociale bijstand. Hiermee kost hij misschien wat minder aan de staat, maar daarmee heeft hij nog steeds geen werk gevonden.

    Ten tweede blijkt dat enkel het verplichten om iets te doen reeds zeer effectief kan zijn en dat met andere woorden niet moet worden overgegaan tot effectief bestraffen. Zo blijkt bijvoorbeeld dat ongeveer 90 procent van de werkzoekende inburgeraars reeds gevolg geeft aan verplichte maatregelen, zonder te moeten bestraffen.

    Voor welke doelgroepen?

    Een derde meningsverschil bestaat over de vraag op welke doelgroepen het  arbeidsmarktbeleid zich richt. Terwijl links zich wil richten op alle kansengroepen op de arbeidsmarkt, stellen we vast dat rechts opteert om alle begeleiding te voorzien voor een aantal uitverkoren doelgroepen.

    De vraag is nu natuurlijk waarom? Naast electorale redenen, wijst het weer op een andere visie van rechts en links op het doel van een arbeidsmarktbeleid. Voor rechts moet een arbeidsmarktbeleid vooral geld in het laatje brengen, terwijl links voornamelijk mensen aan een goede en duurzame job wil helpen.

    Vandaar dat rechts zich enkel richt op die doelgroepen die relatief gemakkelijker en goedkoper te activeren zijn dan andere doelgroepen (zoals de ouderen, zie N-VA-beleid).

    En waarvoor pleit de N-VA?

    Wat is nu het arbeidsmarktbeleid van de N-VA? In zijn beleidsnota Werk  zet Philippe Muyters voornamelijk in op twee pijlers: een passende begeleiding van werkzoekenden enerzijds en het aanbieden van (beroeps)opleidingen en competentieverwerving anderzijds.

    Deze maatregelen komen bovenop de werkgelegenheidspremies voor bepaalde doelgroepen (zoals vijftigplussers en langdurig werklozen) waartoe de vorige Vlaamse regering reeds overgegaan is. Hoewel veel natuurlijk afhangt hoe deze zaken in de praktijk geïmplementeerd worden, blijkt uit een internationale vergelijking  dat begeleiding en opleiding zowel effectief zijn als budgettair het minst belastend zijn voor een begroting.

    Hoe ver staat Muyters al met deze intenties? Tot nu toe richt hij zich volledig op het intensiever begeleiden van ouderen. Totnogtoe liep de systematische begeleiding van werklozen door de VDAB tot 52 jaar. Vanaf 1 april 2011 wordt dit uitgebreid naar 55 jaar. Eenmaal er meer budgettaire ruimte is, gaat dat zelfs tot 58 jaar.

    Koken kost geld natuurlijk, en daar knelt het schoentje. Terwijl Muyters inzet op meer begeleiding en opleiding, lezen we in de Vlaamse begroting van 2010 dat Muyters 23 miljoen euro wil besparen op de VDAB, de instantie die instaat voor arbeidsbemiddeling en opleiding. Gezien de uitbreiding van de groep die in aanmerking komt voor begeleiding, zal dus voornamelijk bespaard worden op opleiding en competentieverwerving. Rest nog enkel het intensiever begeleiden van werkzoekenden naar werkgevers.

    In zijn beleid richt hij zich ook voornamelijk op de vijftigplussers. Muyters maakt hier ook geen geheim van. Zo stelt hij in een interview met De Standaard op 4 januari 2011 over zijn beleidsplannen: “Dat betekent bijvoorbeeld dat het huidige doelgroepenbeleid – nu verdeeld over verschillende groepen – helemaal geconcentreerd moet worden op oudere werknemers.”

    Het is deze mensen zeker gegund, maar je kan je de vraag stellen waarom andere kansengroepen zoals allochtonen, laaggeschoolden en langdurig werklozen minder belangrijk zijn dan ouderen. Hebben zij ook geen recht op ‘passend werk’?

    De regering kan de beperkte budgettaire ruimte natuurlijk als verzachtende omstandigheid inroepen, maar een aantal initiatieven hoeven heus niet veel geld te kosten. Het is bijvoorbeeld opmerkelijk dat Muyters met geen woord rept over initiatieven om de discriminatie van allochtonen aan te pakken.

    Praktijktests om discriminatie op te sporen, kosten niet veel geld. Ook over het bestraffen van discriminerende werkgevers wordt er in alle talen gezwegen. In dit verband is het opmerkelijk dat in het verkiezingsprogramma van de N-VA concepten als discriminatie, racisme, financiële fraude … uitblinken door hun afwezigheid.

    Maar wat is de visie van de N-VA op het bestraffen van werklozen? Het federale verkiezingsprogramma van de N-VA laat daar weinig twijfel over bestaan.

    Ten eerste zullen werkonwilligen bestraft worden: “Wie manifest weigert in te gaan op een passende vacature of beroepsopleiding verliest het recht op een werkloosheidsuitkering (p. 22).”

    Ten tweede zullen de werkloosheidsuitkeringen beperkt worden in de tijd: “We kiezen voor hogere uitkeringen die in de tijd beperkt zijn in functie van het arbeidsverleden van de werkloze. Wie langer gewerkt heeft voor hij of zij werkloos werd, krijgt dan voor een langere tijd de uitkering, en die moet veel meer dan vandaag in verhouding staan tot het werkelijk gederfde loon (p.23).”

    Conclusie

    Dit opiniestuk onderscheidde twee dogma’s van rechts met betrekking tot de arbeidsmarkt. Doordat links en rechts andere ideologische principes hebben, verschillen ze ook in de inzet van bepaalde arbeidsmarktinstrumenten.

    Op basis van het beleid van minister van Werk Philippe Muyters (N-VA) en het federale verkiezingsprogramma van de N-VA stelden we vast dat rechts-nationalistisch Vlaanderen voornamelijk inzet op het begeleiden van oudere werkzoekenden naar werkgevers, het beperken van de werkloosheidsuitkering in de tijd, en het bestraffen van werkzoekenden die een ‘passende job’ weigeren.

    Tegelijkertijd bespaart ze via de VDAB op opleiding en competentieverwerving en laat ze andere doelgroepen zoals etnische minderheden, langdurige werklozen en laaggeschoolden in de kou staan.

    Een deel van deze visie is de N-VA momenteel aan het uitvoeren. De macht om het andere deel uit te voeren vraagt ze via een verdere staatshervorming. Een gewaarschuwd man is er twee waard.

    Pieter-Paul Verhaeghe

    Pieter-Paul Verhaeghe is medewerker bij Poliargus. Poliargus is een onafhankelijk forum binnen de democratisch socialistische en ecologische beweging. Het forum komt op voor vrijheid, democratie en solidariteit. Het vrijheidsstreven betekent de maximalisatie van levenskansen door het wegwerken van structurele ongelijkheden. Structurele bronnen van ongelijkheid zijn in de hedendaagse maatschappij ondermeer sociale klasse, etniciteit, queer, en gender.

    Deze tekst is eerder gepubliceerd op www.poliargus.be

    •